THUIS Ik herinner mij het halletje als een ruimte van één bij één meter.
Meteen begon de trap naar boven.
Langs de trapleuning hing een touw waarmee je beneden de voordeur kon opentrekken zonder zelf naar beneden te hoeven lopen.
Soms mocht één van ons z'n fiets langs de trap hangen.
Amsterdamse taferelen.
Dan bungelde die fiets aan een beugel en ik kan me niet herinneren dat iemand daar last van had.
We waren een gezin met een touwtje door de brievenbus.
Niet dat er zoveel mensen zomaar onaangekondigd bij ons binnenliepen.
Dat was niet zo.
Dat lag niet aan ons maar aan de tijd waarin we toen leefden.
Ik heb het over het begin van de vijftiger jaren.
Ik was een peuter, een kleuter, een opgroeiend meisje met vlechten.
En dat touwtje was makkelijk omdat we veel buiten speelden en mijn
moeder dan niet elke keer de deur voor ons open hoefde te doen als we binnen iets nodig hadden.
We woonden op een bovenwoning.
Op nummer 8.
We hadden wel een fietsenopbergplek maar die was bestemd voor de hele buurt.
Om er te komen moest je door een steegje lopen, langs het gemeentelijke
slachthuis, daarna de weg oversteken en dan een eng donker, dicht
begroeid paadje in.
Daar bevond zich een grote groene schuur waar in mijn herinnering wel honderd fietsen stonden.
Ik kwam er vrijwel nooit.
Sterker nog: ik kan me niet herinneren dat ik in die tijd een fiets had.
Maar daar zal ik me wel in vergissen.
Hoe kwam ik anders bij de spoorbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal waar
de jeugd van Weesp in de zomermaanden zwom en, met gevaar voor eigen
leven, op de langsvarend vrachtschip klom.
De trap naar onze woonkamer was bekleed met een loper die was vastgezet met koperen roeden.
Mooi vond ik dat.
Het stond chique.
Volgens mij had iedereen zo'n geknoopte loper op de trap.
Maar wij hadden de mooiste.
Eenmaal boven kwam je op een gang waarvan de vloer eveneens was bekleed met een loper.
Daaronder lag iets van zeil, maar dat weet ik niet meer zeker.
We hadden er een knikkerpot gecreëerd, daar waar de loper ophield en vastzat met een roede.
Mijn moeder moet talloze keren over ons heen zijn gestruikeld want als
ze van de keuken naar de kamer wilde kon je niet om ons heen.
Die gang waar ik graag speelde mondde aan de linkerkant uit in de keuken en aan de rechterkant in de badkamer.
Links bevond zich, zoals gezegd, de keuken met een granieten aanrechtblad, wat
keukenkastjes, een fornuis, een tafeltje met twee stoeltjes en
daarboven een vitrinekastje met kopjes, schoteltjes en bordjes.
Tegen dat vitrinekastje zette mijn moeder soms een kartonnen bord waar ze normaliter patronen op uitraderde.
Dat bord moest voorkomen dat we ruzie maakten, mijn zus en ik.
Op deze manier konden we elkaar niet zien.
Recht onder de kraan zat een kastje dat geen kastje was.
Het was een open ruimte met een gordijntje ervoor.
En achter dat gordijntje bevond zich het afwasbakje, de fles afwasmiddel en de afwasborstel.
Ik zie mijn moeder in die keuken gehaktballetjes draaien en
peertjes schillen die ze dan liet sudderen op een driepits
oliestel.
We aten gezond.
Ik was een gelukkig kind.
Ons huis was niet klein.
Niet in mijn ogen in ieder geval.
Ik herinner me een vierkante woonkamer met uitzicht op de tuin van de Villa van Van Houten.
Er stond een dressoir en in de hoek brandde 's winters de kachel.
Het was een kolenkachel die mijn vader 's morgens vroeg al aanstak, zodat het warm was als wij naar beneden kwamen.
Met een kolenkit haalde hij de kolen van boven.
Boven sliepen we.
Naast de kachel bevond zich een toog met een kleine ruimte erachter:
ook zo'n één bij één meter, misschien nog
iets kleiner.
Daar zat, links, wat wij nu zouden noemen, een piepkleine inloopkast
met planken, een roede en aan de binnenkant van de deur een passpiegel.
Die ruimte van dat inpandige halletje was afsluitbaar door een gordijn.
Als we iets nieuws te passen hadden, dan verkleden we ons dáár.
Ik weet zeker dat mijn trouwjurk daar hing.
In die kast in dat inpandige halletje.
Iedere minuut keek ik of hij er nog wel hing.
Als je onder de toog recht doorliep (een afstandje van
één enkele stap) stuitte je op een deur die naar
de slaapkamer van mijn zus leidde.
Ik mocht in haar bed als ik ziek was en zij naar school.
Verder was er nog een achterkamer, precies tussen de slaapkamer van mijn zus en de keuken in.
Er stond een eettafel met een pluchen kleed.
De tafel stond tegen het raam en er waren een paar inbouwkasten.
Ik weet niet beter dan dat de naaimachine van mijn moeder op die tafel stond.
Ze naaide al onze kleren zelf en ik vond het gezoem van die machine
heerlijk terwijl ik, aan dezelfde tafel, mijn Duitse of Engelse
woordjes leerde.
Nee, we hadden geen 'buiten'.
Alhoewel.
Dat is niet helemaal waar.
Aan de keuken vast zat een piepklein balconnetje waar de vuilnisbak stond.
Als het warm was zat ik op die vuilnisbak, maar lang hield je dat
natuurlijk niet uit.
Je kon je benen niet kwijt en er viel niets te
beleven, anders dan spieken in de tuinen van de benedenburen.
Wan alle benedenburen hadden een tuin.
En een schuurtje.
Wij niet.
We sliepen boven.
Drie hoog dus eigenlijk.
Drie slaapkamers waren er.
En een flinke open zolder over de hele breedte van het pand.
Op die zolder hingen mijn vader en moeder de was op.
,,Wéér een vieze onderbroek van jou!'' zei mijn vader dan.
,,Alweer een vieze onderbroek van jou!''
Het was een wekelijks terugkerend grapje dat ik als kind helemaal niet leuk vond.
Mijn vader wel.
Op die zolder herinner ik me ook de grote vaten die gebruikt werden om andijvie in te maken.
De groente werd, gewassen en kleingesneden, in het zout gelegd en de hele winter hadden we dan 'verse' groente van eigen zolder.
Iedereen vond het lekker.
Ik ook.
Mijn slaapkamer zat recht boven de keuken.
Ik had er een bed en een bureautje staan.
En van die Brabantia-boekenrekjes in felle kleuren.
Het was het kleinste slaapkamertje van het huis.
Die van mijn ouders was ook niet groot overigens.
De enige slaapkamer waar ik jaloers op was, was de slaapkamer van mijn broer.
Hij las er moeilijke boeken en als ik allang naar bed was brandde bij hem nog licht.
Dat mocht.
De buurjongen die regelmatig huisarrest kreeg omdat hij stoute dingen
had gedaan, sloop door de dakgoot naar de kamer van mijn broer.
Zo kon hij dan ongezien aan zijn straf ontkomen.
De badkamer zat aan de voorkant van ons huis en had een raam.
Het was een niet eens zo kleine ruimte met een vast lavet.
Mijn ouders kookten er de was op een gasstel dat op de grond stond.
Later kregen we een draaielement in het lavet waardoor de natte was mechanisch in beweging werd gebracht.
Er stond een wringer met een blankhouten handvat.
Mijn ouders deden de was samen.
Het was zwaar werk.
Ik mocht graag schone kleren aantrekken en dat vonden mijn ouders soms een beetje tevaak en teveel.
Daarom deed ik het vaak zelf.
Een truitje hier, een rokje daar.
Ik vond het heerlijk ruiken.
We speelden veel buiten.
In de onderlaagte.
Verstoppertje.
Hinkelen.
Of kaatsenballen tegen de blinde muur van het huis aan de Paul Krugerstraat.
Mijn vader maakte op zolder hoelahoeps.
Er stond een lockmachine om vlaggetjes af te werken.
Ik herinner me ook dat hij dienbladen maakte: een stuk spaanplaat, in verschillende maten gezaagd.
Daar werd dan bedrukt plastic zeil over gespannen, vaak met een Italiaans motief. Chianty-flessen. En druiventrossen.
Om het dienblad mooi af te werken kwam er een rand langs dat omwonden was met wit plastic draad.
Vastgezet met een nietje.
Die dienbladen verkochten als een trein.
Iedereen vond ze mooi.
Ikzelf spaarde in die tijd fanatiek foto's van bekendheden: Brigitte
Bardot, Sophia Loren, Romy Schneider, Caterina Valente, Gina
Lollobrigida, Grace Kelly.
Maar ook Harry Belafonte, James Dean, Tommy Steel en Louis Prima.
Ik heb mijn plakboek nog steeds.
Zoiets gooi je nu eenmaal niet weg.
Mijn ouderlijk huis is inmiddels afgebroken.
Ingehaald door de tijd.
Wat blijft zijn de dierbare en gelukkige herinneringen.