Tot
mijn grote verbijstering zag ik de volgende dag al dat mijn
herinnering niet klopte met de werkelijkheid.
Het
film die zich op mijn netvlies had afgespeeld bleek zich niet te
voltrekken op een schelpenpad maar op een stuk verharde weg door de
abdijtuin en langs de abdijkapel.
Hoewel.
Dat
is toch ook niet helemaal waar.
Het
schelpenpad waarin de mevrouw van de uitvaartonderneming telkenmale wegzakte met
haar kuukse hakjes bleek wel degelijk te bestaan.
Vanaf
het hek van de protestantse begraafplaats in Egmond Binnen, het hele rondje rond het kerkje, tot aan
het pasgedolven graf kraakten de schelpen onder onze voeten.
Zó
fout had mijn brein het toch ook weer niet opgeslagen.
April 2010.
In het met schilderijen
volgehangen appelboetje op de abdijtuin in Egmond Binnen staat de
kist van een geliefde overledene.
Geen
gewone kist, maar een lieve, vrolijkversierde kist vol felgekleurde
vingerverf-kinderhandjes, - lieve woordjes, - bloemetjes,
- namen en dito afscheidsgroeten. De draaidoppen waarmee de kist zit
dichtgeschroefd zijn met verf veranderd in kinderlijk- smakelijke
appeltjes.
In het boetje is het vol,
bomvol, barstens vol, té vol.
Er moeten mensen buiten blijven staan.
Ze kunnen de samenkomst volgen via de openslaande deuren die openstaan.
Op, naast, achter, voor
en onder de kist staan bakken vol bonte violen, bossen bloemen, een
schildersezel met schilderij, bloeiende takken, klarinet, mandjes
narcissen, crocussen, verfpot en verfkwasten. Maar vooral vol met
mensen die de kist willen aanraken. Bij wijze van afscheid. En
verbondenheid.
Er zijn sprekers, er wordt
gezongen, er wordt gehuild, gelachen, meegezongen, gesnikt.
Bewondering en verwondering gaan hand in hand.
Waarom heeft het zo moeten
gaan?
Waarom? Waarom?
En ondertussen kijken we
uit over de abdijtuin waar de appel- en perenbloesem zich schrap
zetten tegen de kou en de wind.
De tuin waar hij, voor wie
we vandaag bij elkaar zijn, zich zo intens heeft gezet.
Als de samenkomst tegen
z'n einde loopt neemt de mevrouw van de uitvaartonderneming de
touwtjes in handen.
Ze doet althans een
poging.
Ze past totaal niet in de
sfeer van informeel, van hartverwarmend, van spontaan, ongedwongen, van recht uit het hart.
Dat merken we allemaal, zij zelf waarschijnlijk ook.
Het was haar al die dagen
al niet gelukt om een serene afstand te creëren als voorzichting
begin van een definitief afscheid.
Al haar krampachtige pogingen in die richting
waren mislukt en ik vroeg me af of het haar nu wel zou gaan lukken.
kr
Midden in de drukte
probeerde ze vastberaden de kist te draaien zodat hij naar buiten kon
rijden, door de openstaande deuren het voorjaar in.
Maar alles en iedereen
stond in de weg, wilde de kist nog even aanraken, wilde niet
meewerken aan het laatste vertrek,
waardoor het voor haar een helse
onderneming werd en voor ons een hartverwarmende, lees
hartverscheurende, lees lachwekkende vertoning.
Hoe breng je een artiest naar zijn laatste rustplaats.
De lange stoet die zich
uiteindelijk formeerde, met bloemendragende nabestaanden voorop en
goedwillende familie-vrijwilligers om de baar op het rechte pad te houden, slingerde
zich langzaam van het appelboetje op de abdijtuin naar de
aangrenzende protestantse begraafplaatsje.
Maar de wind trekt zich
niets aan van waardigheid.
Hij speelde een spelletje rond de kapel en
nam alle bloemstukken, rokken en haren te grazen.
Tot iemand riep: Stop,
ho!!
Ik liep voorop met een
veel te zwaar bloemstuk in mijn handen.
Naast me liep de mevrouw
van de uitvaartonderneming, in zedelijk grijs-zwart mantelpak dat
de overledene zonder twijfel een gruwelijke uitdossing had gevonden.
Ze zakte telkens met haar
hakken in het zand waardoor ze, zonder het zelf te merken, aan waardigheid inboette.
In haar hand een
kaarsenstandaard met een brandende kaars en een belletje.
Een brandende kaars.
Hij,
die in de kist lag, met warme klapzoenrode afdrukken van kussen op zijn
voorhoofd, had daar z'n hele leven een hekel gehad aan kaarsen!
Dat juist een brandende
kaars zijn leven moest symboliseren in de ogen van wat 'normaal' is.
Dat vond ik wel humor.
Wijzelf zagen meer herkenning in de potten vol bloembollen, de kleurige
schilderijen, de schop en de hark die naast zijn kist stonden.
De klokken van de
abdij hielden niet op met beieren.
We waren de bocht al om
richting kerkhof toen we moesten stoppen.
Stop, ho!!
Ik keek
achterom.
Er was een flink gat ontstaan in de rij.
Ik zag, met de kapel op de achtergrond, de stoet
stilhouden omdat de overledene in zijn waaiboomhouten kist,
volgekladderd met felgekleurde vingerverf kinderhandjes, bijkans van de baar
afwaaide.
De rollatorwieltjes onder de baar weigerden dienst op
het smalle schelpenpad.
En de wind deed de rest.
De pot met
kwasten die eerder op de kist had gestaan lag al op de grond.
De gele plooirok onder de baar wapperde vervaarlijk in
het rond. Krachtige jongemannen armen deden verwoede
pogingen om te voorkomen dat de kist in de greppel
terechtkwam.
Daarachter de stoet die zich liet karakteriseren door opwaaiende rokken en wapperende haren.
De abt van het klooster, die kort daarvoor onhandig een mand
violen in zijn
handen gedrukt had gekregen, ervoer de armen om zijn hals van de
dochter van de overledene, troost biedend en troost vragend.
Haar wapperende haren hielden gelijke tred met het wapperen van de pij van de abt.
Ik
weet zeker dat de arme man die avond heeft moeten biechten.
En voort ging de
stoet, naar het graf waar plantjes vergeet-me-nietjes werden
kaalgeplukt zodat de bloemetjes en blaadjes op de kist konden
neerdalen.
Uit vrolijk gekleurde strandemmertjes kieperden de
kleinkinderen Egmonds strandzand naar beneden in het graf.
Het is een
film, dacht ik.
Het is een Franse film!