U bevindt
zich op de
pagina
Realistische ooggetuigenverslagen
met een
knipoog

Als je denkt
dat je er morgen om kunt
lachen
lach er dan vandaag alvast
maar om
|

|
Gevechten in doorgaans rustig Oudorp

Van onze verslaggeefster
Oudorp
- In het doorgaans rustige Oudorp bij Alkmaar hebben zich gisteravond
ernstige sneeuwbalgevechten voorgedaan waaraan door jong en oud werd
deelgenomen.
De
jongste deelnemer aan de ongeregeldheden wordt geschat op een jaar of
twee, maar de ouderen lieten zich ook niet onbetuigd en
stookten het vuurtje zelfs ernstig op.
Ooggetuigen verklaren dat het juist de ouderen waren die de strijd zijn begonnen.
Minutenlang vlogen sneeuwballen in hoog tempo heen en weer.


Ook jonge dames ondernamen niets om het strijdtoneel te verlaten.

Auto's moesten het ontgelden en ook werd er op ramen gemikt van de omwonenden.

Pas toen de sneeuw opraakte keerde de rust weer.
Er is niemand gearresteerd.
Concert
We
gaan met de trein.
Zegt hij.
Trein staat in mijn geheugen gegrift als vies, klam, warm, zweterig en
vol.
Dus ik ben niet enthousiast.
In Alkmaar komt daar dan nog bij:
met de fiets door de kou naar het station, zoeken naar een plek in de
bewaakte fietsenstalling (en dat is altijd hélemaal
achteraan!!), een heel eind lopen naar de betaalautomaat die altijd
stuk is en dan wachten, wachten, wachten op het meest tochtige perron
van de hele wereld.
Nee, ik heb geen romantisch beeld.
En zie: het is vrijdagavond en mijn boosaardige
droom wordt werkelijkheid.
Ik heb er geen woord van gelogen.
Alles klopt.
Dat is dan wel weer fijn.
Ik ben een realist.
Zo zie je maar.

Als de trein stopt is het dringen geblazen.
Ik ben niet goed in 'dringen'.
Mijn reisgenoot dirigeert me in de tweede klas (zelf reist hij altijd
eerste klas, op kosten van zijn baas) op één van
de
weinige vrije plekken.
Naast een man waarnaast ik helemaal niet wil zitten.
Maar ik zit.
Zelf blijft hij naast me staan.
Dat vind ik raar.
Helemaal verderop is ook nog één plek vrij.
Na lang aandringen gaat hij daar toch zitten.
Hij rijdt vooruit.
Ik achteruit.
Amsterdam is heerlijk.
Ik zou er willen wonen.
Het liefst vandaag nog.
Geef me een klein appertement aan de Prinsengracht en niemand hoort
ooit meer wat van me.

Op het perron worden we uit de trein gespuugd.
Onze trein rijdt door naar het zwoele, bourgondische en
superromantische Maastricht.
Ik zie verwarmde terrassen voor me.
En glaasjes witte wijn.
En luxieuze hotelkamers met uitzicht op de Maas.
Amsterdam doet gewag, in ieder geval het gebied rond het station, van
het tegenovergestelde.
We wringen ons door de mensenmenigte en verplaatsen ons in hordes door
de bouwput die vroeger het stationsplein was, de gastvrije ontvangsthal
van Amsterdam.
Ik ril in mijn jas.
We nemen de tram, zegt mijn energieke reisgenoot die weet heeft van wat
een vrouw behoeft, maar de rij is lang en de afstand naar de
Beurs van
Berlage is (helaas) overbrugbaar, zelfs als je looiige benen
hebt.
Op de Damstraat zoek ik naarstig naar een restaurantje want het is
19.00 uur en we willen nog wel iets eten.
Italiaans.
Dat is snel en makkelijk en toch lekker.
Italiaans dus.
In de pizzaria is het propvol maar als het me lukt om over een grote
neger met elf tassen heen te stappen is daar, tegen de muur, toch nog
een plekje voor ons.
Het had een waarschuwing moeten zijn.
Dus we bestellen wel en we krijgen uiteindelijk ook ons alcoholvrije
drankjes, maar
het Italiaanse broodje met knoflookboter blijkt gewoon een opgepiept
Hollands stokbroodje met sesam te zijn met boter die wel groene puntjes
vertoond maar die in de verste verte niet lijkt op en zeker niet smaakt
naar de knoflookboter waar ik op had gehoopt.
Dat belooft niet veel goeds.
Na driekwartier wachten en elkaar aankijken, want we zijn intussen wel
uitgepraat met elkaar, is het hoofdgerecht nog lang niet in aantocht.
We maken ruzie met de ober, maar dat helpt niet.
Het woordje sorry bestaat niet in het Italiaans, dus we
vertrekken.
Boos en vooral hongerig!
Tot ziens, roept de ober ons nog na.
Dat dacht ik niet, roep ik net hard genoeg.
Een paar gevelhuizen verder is een loket voor patat.
Ik lust dat wel.
Als ik honger heb lust ik alles.
En als ik geen honger heb ook.
Ik bestel een friet large en een kroket.
Mijn reisgenoot enkel een friet small, terwijl hij toch al geen kont
heeft!

Hoe dan ook: het is lang geleden dat ik op
straat een zak friet stond te eten.
Met je ene hand hou je de grote puntzak vast, met je andere
hand moet je dan eten.
Waar laat een mens dan intussen zijn kroket?
De mayonaise lag na twee happen al op mijn schone witte sjawl.
Ik heb de klodder naar binnen gevouwen.
In de eerste de beste afvalbak die ik tegenkwam heb ik de
kokendhete kroket gedeponeerd, nog geheel in tact.
Er lag wel een zwerver in de buurt maar ik voelde me niet
geroepen.
Goed doen is leuk, maar het kan ook te gek.

Het concert.
Zijn hier een prins en een prinses getrouwd?
Ik herinner me een traan, mooie bloemstukken, een chique uitstraling en
een prachtige loper door het middenpad.
Nou, die bloemen zijn inmiddels uitgebloeid en de loper was naar de
stomerij, want echt chique kwam het gebouw niet op mij over.
Laat staan feestelijk.
Wel indrukwekkend, dat geef ik toe, maar daar moest ik niet van huilen.

We luisteren naar muziek van het Chorus Orkest,
dat zelf zijn eigen
publiek had meegenomen: er werd geklapt en gekwebbeld tussen
de
delen door en het knisperde aan alle kanten van de snoeppapiertjes.
Kwaad kijken hielp niet, maar gaf wel enig gevoel van hoog verheven
zijn boven zulk een pleps.
En als wij niet laten blijken hoe het hoort, wie dan wel.
Voor de uitgiftebalie in de pauze is het beredruk.
Dus als ik mijn glas
thee krijg aangereikt gaat de gong voor de volgende ronde.
Het Fanfare Korps der Koninklijke Landmacht Bereden Wapens.
Onze schoonzoon speelt erin mee, dus we vinden alles prachtig.
Vooral hém en wat híj doet!
Het geknisper om ons heen irriteert nu nog meer en ik roep een
oude vrouw tot de orde.
Zeker éénenzestig schat ik haar.
Ophouden nu!!
Ze schrikt en blijft onbeweeglijk zitten.
Als een zoutpilaar, betrapt met haar vingers nog in het papieren zakje.
Ik bedenk me hoe ze zachtjes en zo geluidloos mogelijk over de
pindarotsjes aait die zich in het zakje bevinden (denk ik), hoe ze door
haar
lichaamswarmte een beetje beginnen te smelten, die pindarotsjes, hoe de
aantrekkingskracht onder haar vingers groeit, hoe het water haar in de
mond en langs het kunstgebit loopt tot ze zich uiteindelijk niet meer
kan bedwingen, gehoorgevend aan het verlangen naar
bevrediging, onverhoeds toch haar hand uit het
zakje
haalt en richting haar mond beweegt.
Ze propt er voor de zekerheid drie pindarotsjes tegelijk in en ik zie
het bruine kwijl uit haar mondhoeken naar buiten gutsen.
Toen het applaus opklonk begreep ik dat de solist van de avond had
gemist.

Terug naar huis.
In colonne naar de trein.
Ik wil een ijsje.
Maar mijn reisgenoot is slank dus ik durf het niet te zeggen.
We bewegen ons richting perron, langzaam, want van het lange zitten
zijn mijn benen niet in jubelstemming geraakt.
Het is nog steeds onvoorstelbaar druk op straat en ik verlang naar een
taxi die ons naar huis brengt waar het, als de termostaat door
milieubewuste huisgenoten niet lager is gezet, warm en aangenaam is.
Maar nee, er wacht ons nog een treinreis door de duisternis op vieze
banken, met bacteriën die zichtbaar meereizen aan handgrepen
en
trekstangen.
Turend door smerige vensters glijdt een zwart landschap
voorbij waar niets te beleven is.
Ik sluit mijn ogen en doe ze pas open als we in Alkmaar zijn.
Ik heb in de kauwgom gezeten, fluistert mijn reisgenoot me in mijn oor
nadat hij zijn hoofd heeft gestoten aan het fietsenrek in de bewaakte
fietsenstalling.
Hij bevoelt eerst zijn billen en daarna zijn hoofd.

Toch heerlijk, zo'n avondje uit!
Zwoel

Ze
heeft het zweet op haar bovenlip staan en de twijfel spat uit al haar
porieën.
Wat zal ze zijn.
Een jaar of vijfenvijftig?
Iets jonger misschien.
Haar wanhopige ogen smeken me om mee te denken: kan ze dit wel dragen?
Ze heeft een strakgespannen wit truitje aan dat geen vragen overlaat
over de bh die ze eronder draagt en met spannende bandjes
sluit
ter hoogte van haar adamsappel.
Enigszins geshockeerde en een ietwat mistroostig trekt ze voor de
spiegel aan de bandjes die haar knellen.
Is het niet te ondeugend?
Is ze hier niet te oud voor?
En wanneer kun je zoiets nu eigenlijk aan?
De truttigheid lijkt het te gaan winnen van de overmoed.
Ze staat er ook een beetje tuttig bij.
Schouders naar voren gebogen, heur haar in de war, zonder make upje,
vriendelijk maar een beetje kleurloos, zal ik maar zeggen.
We
schrijven lingeriewinkel Isis, gevestigd aan het allerminst romantisch
Stationsplein in Heerhugowaard.
,,Heb
je niet toch iets vergelijkbaars?'' hoor ik achter me zeggen. ,,Een
beetje hoger van voren en dan van achteren gewoon dicht.''
De juffrouw in de winkel snapt er geen lor van.
Ze geeft zelf het goede voorbeeld en draagt ook duidelijk zichtbaar een
Marlies Dekkers onder haar kleren.
,,Dat hoort zo'' zegt ze.
,,Bh's van Marlies Dekkers hoor je te zien.
Je moet een beetje uitdagen. Dat mag toch?
Hier trek je geen overal over aan.
Tenzij je alle knopen open laat staan.''

Die vergelijking doet de klant bijkans schuimbekken.
Ik besluit ook nog een duit in het zakje te doen.
,,We hebben lang genoeg in bh's van de Hema gelopen'' bemoei ik me
ermee.
,,Mogen wij ook een keer alsjeblieft?
En wijs mij eens een man aan die dit niet leuk vindt.''
Ze kreunt.
Echt, ik hoor haar kreunen!

Via de tv schalt een documentaire over Marlies Dekkers de
winkel binnen.
Ze kijkt zwoel in het niets terwijl ze haar stoute ondergoed toont aan
wie het maar wil zien.
,,Dat is de truc'' leg ik de mevrouw uit die onophoudelijk aan de witte
bandjes van haar bh blijft trekken.
,,En wij hebben hem door!
Je moet er zwoel bij kijken!''
Ondertussen gaat mijn mobiele telefoon.
Een sms.
Van een goede vriend.
Hij heeft mijn fiets voor de winkel zien staan.
,,Isis avontuur! Kan ik binnenkomen?''
Twente

Ik
geef niemand de schuld.
Twente is prachtig.
Maar als ik me er thuis had moeten voelen, dan had Onze Lieve Heer er
wel voor gezorgd dat ik gek zou zijn op stilte, op eenzaamheid, op
rust, op eindeloos groen, op
eenzame landweggetjes en pittoreske boerderijtjes.
Uren fietsen zonder iemand tegen te komen.
Sommige gepensioneerden vinden dat geweldig.
Ik niet.
Zet mij maar in een vol voetbalstadion tussen enthousiaste fans die hun
club aanmoedigen.
Of laat me los hartje Amsterdam, Londen, Parijs, Milaan.
Midden in de drukte.
Je kunt me niet gelukkiger maken.
Enfin.
We gingen dus naar Ootmarsum.
Om de schilderijen te zien van Ton Schulten, schilder van kleurrijke
landschappen waarachter steevast een lichtje lijkt te branden.
Het dorp is mooi.
De schilderijen zijn mooi.
De impuls die Schulten zijn mede-dorpsgenoten heeft bezorgd is
onmiskenbaar.
Ondernemers en horeca liften mee op het succes van Schulten.

Zijn gallerie en museum zien er gelikt uit.
Je kunt niet om Ton Schulten heen.
En dat is maar goed ook.
Want het is deze schilder die zijn eigen woonomgeving kleur
heeft gegeven.
Iets wat Onze Lieve Heer in al zijn alwetendheid glad had nagelaten.
Het kan niet anders of de kleuren van Twente vielen hem, de grote Ton
Schulten, ook zwaar tegen.
Hij besloot persoonlijk in te grijpen.
En met succes.

Moe van het rondkijken en ronddwalen strijken we uiteindelijk neer op
een terras in de zon.
En daar begon het.
De afkeer.
Terwijl mijn man argeloos om zich heen zat te kijken, spatte bij mij
alle weerzinhormonen mijn lijf uit.
Ik stoot mijn man aan.
,,Kijk eens'' zeg ik.
,,Zie je dat.''
,,Iedereen is hier oud!''
Mijn man had niets in de gaten.
Tot dan toe.
,,Nou èn?'' was zijn uiteindelijke reactie!
,,Nou èn!!!'' blaas ik terug.
,,Als iedereen hier oud is, dan zijn wij het ook!''
,,Zo moet je dat niet zien'' probeert mijn man.
Te laat!!
Ik heb het al gezien.

Op de terrassen in de zon zitten louter oude mensen.
Ze komen aanfietsen op identieke fietsen.
De mannen op een damesfiets, aangeraden door een verstandige
fietsverkoper die voorspelde:,,Er komt een dag dat u uw been
niet
meer over de fietsstang krijgt; u kunt zich daar maar beter op
voorbereiden!''
Oude mensen.
Geen kraak of smaak aan, maar met een rode blos op de konen
vanwege de lange fietstocht die ze allemaal achter de rug hebben.
Want fit en vitaal blijven.
Daar draait het om.
Ze hebben veel meegemaakt in hun leven.
Die oude mensen.
Dat zie je zo.
En daarom genieten ze nu met volle teugen van de najaarszon.
Met
een air van: ,,Dit hebben wij verdiend. Hier hebben wij recht op, want
ons leven lang hard voor gewerkt!''
Over dat 'genieten' valt overigens nog wel wat op te merken:,,Het tocht
hier Jan. Ik wil toch liever dáár zitten!''
Of, nog erger:,,De koffie is hier vijf cent duurder van vanochtend op
dat leuke terras met die leuke serveerster. Dáár
was het
leuker!''
,,Als dit mijn voorland is, dan haak ik af'' fluister ik mijn man iets
te hard in zijn oor.
Naast ons kijken doodgelulde echtparen verschrikt op.
Een praatje maken is er niet bij.
Alle echtparen leven op onbenaderbare eilandjes.
Ze hebben elkaar en meer is niet nodig.
En dat voel je.

Mijn man knijpt me in mijn dijbeen.
,,Weet je wat'' zegt hij.
,,We doen geen caravan, geen tweede huisje in de Achterhoek, geen
fietsweekendjes en geen uni-sex kleding waardoor we als twee druppels
water op elkaar lijken.
We beginnen in Berlijn een jazz-café.
Tot we erbij neervallen van genot.
Wat denk je ervan?''
Mobiel
We
rijden net station Heiloo uit als mijn telefoon gaat.
Ik heb een hekel aan mensen die bellen in de trein.
Het zijn onzinnige gesprekken die heel goed hadden kunnen wachten.
Sterker nog: die niet gevoerd hadden hoeven te worden.
Maar nee, ook ik moet weten waar de gebelde zich bevindt.
Terwijl ik daar zelf bij zit.
Dus wat een nonsens.
Doordringend blijft mijn telefoon mijn aandacht vragen.
Het niemandsland tussen Heiloo en Castricum is uitermate saai en ik ben
nieuwsgierig, dus ik pak mijn mobiel uit mijn tas en kijk wie er belt:
ONBEKEND.
Gatver, denk ik.
En ook:
wie zou dat kunnen zijn?
President Sarkosy? Die belt wel vaker tegenwoordig.
Of minister Bos om te zeggen dat al mijn banktegoeden gegarandeerd
worden door de staat.
Ik ben allergisch voor de vaderlijke bemoeizucht van het gezag dus ik
besluit hem de les te lezen.
In een volle trein!
,,Spreek ik met mevrouw.......?'' hoor ik aan de andere kant van de
telefoon nog voor ik iets kan zeggen.
,,Hoezo?'' vraag ik terug.
,,Ik heb een aanbieding voor u. Uw abonnement van uw mobiel loopt af en
u kunt nu veel goedkoper bellen.''
,,Mijn abonnement loopt pas in februari af'' sis ik, omdat ik wel besef
dat iedereen vanaf nu meeluistert.
,,Jawel, maar u mag een nieuwe telefoon uitzoeken.
Wat denkt u van een telefoon met een ingebouwde fotocamera?''
,,Die heb ik al!'' blaat ik terug.
,,U belt nu voor €20 per maand. Dat kan veel goedkoper. Mag ik
weten welk toestel u nu hebt?''
,,Dan moet ik hem even van mijn oor afhalen, anders weet ik het niet.
.......................... Een Sony!''
,,Wat denkt u van een Nikon N85 3p3 met een geluidsdrager? Gratis als u
er een abonnement van T-mobile bijneemt met 100 belminuten voor
€
22,50 euro per maand en dan mag u kosteloos 20 belminuten meenemen naar
de volgende maand!''
Ik baal.
Wat moet ik met die informatie.
,,Ik ben tevreden met wat ik heb'' pers ik eruit, mezelf afvragen waar
en welke mate ik mezelf tekort doe.
,,Dan kunt u uw toestel houden en dan krijgt u van mij een abonnement
met 300 belminuten en goedkoper bellen in het weekend! Telfort is echt
goedkoop!'' juicht de sukkel aan de andere kant.
Maar ik wil geen Telfort.
En ook geen T-mobile.
Waarom veranderen als je tevreden bent?
,,Ik ga hier eerst over nadenken'' zeg ik zo standvastig mogelijk. ,,Ik
heb alle tijd.''
,,Dat is niet zo. U belt nu veel te duur. Het kan echt goedkoper. Ik
bel u morgen terug. Dan kunt u zich bedenken wat u voor
toestel
wil!''
Snotneus, denk ik.
,,Ik neem zelf wel contact op'' probeer ik, gesteund door het gezucht
om me heen dat steeds hoorbaarder wordt.
Hij weer:
,,Dan bel ik maandag. Dan heeft u wat meer tijd.''
Snel stop ik mijn mobiel weg en doe alsof het gesprek nooit heeft
plaatsgevonden. Mijn overbuurman kijkt me vernietigend aan, maar ik doe
of mijn neus bloedt.
Met een rooie kop duik ik in mijn boek maar de opwinding wil nog niet
verdwijnen.
Een nieuwe telefoon.
Gratis.
Ik wil er één met een navigatiesysteem.
En ééntje waarmee ik kan internetten in de trein.
Je moet met je tijd mee als je eenmaal door de duistere deurtjes van de
zestig bent.
Aangekomen bij het Centraal Station in Amsterdam zoek ik een taxi.
Dat lukt.
Ik stap in bij iemand van de Taliban.
Hij zal wel geen Nederlands praten dus ik hou mijn mond.
Hij neemt niet de korste weg naar het Leidseplein maar ik zit droog en
ik besluit er niet moeilijk over te doen.
''Ikke niet weten.''
Ik heb er geen zin in.
Tot er voor onze ogen een bijna-ongeluk gebeurt.
Een oude heer op een fiets wordt bijna omver gereden door een brutale
autobestuurder.
De chauffeur schreeuwt de oudere heer toe dat hij beter uit moet kijken.
Plaatsvervangende schaamte kruipt bij mij omhoog.
Mijn eigen chauffeur draait zijn raampje open en geeft de veroorzaker
van het bijna-ongeluk er ongezouten van langs in het plat-Amsterdams!!
Ik val bijna van mijn stoel van verbazing.
Dan gaat opnieuw mijn telefoon.
Afzender: onbekend.
Klaar ben ik.
Klaar met al dat geheksenketel.
Leven zonder telefoon lijkt me ineens een luxe van de bovenste plank.
Snel neem ik op: ,,Uw abonnement loopt af. Collega al gebeld? Nee hoor,
ik ben van Vodafone. Wij hebben een aanbod.''
,,Weet je wat'' roep ik.
,,Laat maar zitten die hele handel.
Ik ben er te oud voor.''
Met een boog belandt mijn mobiel in de vijver voor American.
Plons.
Ik ga naar binnen en bestel een high tea voor 2 personen.
De
Drieban
en de heilige Maria DoloreS
realistisch ooggetuigenverslag van een
dodenmansrit door de polder

Alkmaar - Dat ik nog leef!!
Dat is niet te geloven.
Ik heb er mijn persoonlijke heilige, de alleraanbiddelijkste Maria
DoloreS gisteravond driekwartier lang op mijn blote knieën voor
bedankt.
Want Parijs - Dakar is een peuleschil bij wat ik heb meegemaakt.
Zaterdag 21 juni 2008.
Het begon als een normale zaterdag.
Beetje uitslapen, krantje lezen, lang ontbijten, kopje koffie en
boodschapje doen.
Tot mijn man zei dat hij 'even' ging kijken of hij de wedstrijdroeiers
van Ossa ergens zou kunnen vinden.

Ik had toch niks te doen dus ik liet mij van mijn meest spontane kant
zien:
Zal ik met je mee?
Onnozele ik.
Had ik dat maar nooit gezegd!!
Ik heb doodsangsten uitgestaan en gevreesd voor mijn leven.
Maar zie, ik kan het nog navertellen en dat ga ik ook doen.
Het begon zo landelijk.
Zo onuitsprekelijk vredig.

Hoewel ik gek ben op de drukte en de grote stad vind ik het toch leuk
om te zien:
de dorpjes met hun nostalgische kerktorentjes, de prachtige landerijen,
de molens, de vergezichten

de rustieke terrassen aan het water

en de was die buiten te drogen hangt.

Ik word er altijd wel een beetje romantisch van.
Lees geëmotioneerd.
Heerlijk gevoel.
Tot zover is er niks aan de hand.
Dus.
Dacht ik.
Ik geniet.
Maar mijn man wordt steeds onrustiger.
Zijn doel is nog niet bereikt.
Zodra hij mensen ziet, fietsers, vissers, toevallige passanten of
mensen die gezellig aan het
picknicken zijn, trapt mijn man onverwacht op de rem van onze bolide
(slechts drie
keer kop tegen het voorraam) en wordt er
spontaan een praatje gemaakt.
Mijn man praat met iedereen.
Over niks.
Maar dat is míjn intepretatie.
Bij mij moet een gesprek altijd wel ergens over gaan.
Maar de meeste mensen schijnen daar helemaal geen behoefte aan te
hebben.
Zo blijkt.
Die kwebbelen mee dat het een lieve lust is.
Over niks.
En mijn man geeft daar in negen van de tien gevallen de aanzet toe.
En het opvallende is: iedereen vindt hem leuk!
Gezelli.
Vandaag draaien de contacten onderweg steeds om die ene vraag, merk ik
al snel:
,,Mooi weertje, vind u niet! Heeft u roeiers voorbij zien komen?''
Ik voel de krachtdadigheid groeien bij mijn man.
Hij is een volhouder: hij moet en zal ze
vinden!
Daartoe stopt hij op onmogelijke plekken, rijdt zijn auto met mij erin,
pardoes de drassige berm in, parkeert scheef en ongemakkelijk
vlák langs de sloot en wel zó, dat HIJ wél uit de
auto kan stappen maar IK niet, tenzij ik eerst een gesprek aanga met
een nieuwsgierige koe.
Wat zijn die beesten groot!!

Achter een lullig hekkie
kijken zijn soortgenoten dreigend toe, klaar om los te breken!

Ondertussen spreekt mijn man iedereen aan en speuren zijn ogen onrustig
het water af.
Eenzaam beklimt hij dichtbegroeide dijken om zodoende een beter over-
en uitzicht te hebben.
Geen rietkraag is veilig.
Dat levert mooie plaatjes op.
Dat moet gezegd.

En dan zijn ze daar opeens.
De roeiers.
In de Drieban.
En de hel breekt los.
Bij mijn man.

Drie mannen in een bootje.
Zwetend en ploegend.
Wat is daar nou aan te zien.
Maar hij, mijn man, krijgt het onmiddellijk op zijn heupen en slaat op
slag onbetamelijke taal uit:
,,Trekken mannen!
Jullie kunnen het!
Ga er overheen!
En IN! En IN! En IN!''

Mijn verbazing kent geen grenzen.
Als er fietsers langsrijden duik ik weg achter de auto of ik kijk
nonchalant danwel verontschuldigend de
andere kant op.
Busje komt zo!
Hier hoor ik niet bij.
Echt niet!
Ik ben hier ook maar toevallig en niet uit eigen vrije wil!
Ik fotografeer met grote interesse de bloemen in de berm zodra er een
voorbijganger in zicht komt.
Maar het helpt niet.
Het geschreeuw is niet van de lucht en de aanmoedigingen
doorbreken de stilte met het geluid van een straaljager van het type
turbo.
Zodra de roeiers voorbij zijn dwingt mijn man me al schreeuwend in de
auto.
We moeten wég!
We moeten dóór!
Verder!
Harder!
We moeten ze bij houden!
Met gierende banden scheuren we over 's lands wegen, waar het
normaliter landelijk en stil is, stel ik me voor.
Maar nu dus even niet.

We scheuren ongehoord hard over de landweggetjes als waren we coureurs
in Monte Carlo.
Ik zie inmiddels groen en geel.
Bij elke opening in het riet wordt er met piepende remmen gestopt, de
auto half in het moeras gereden, uit de auto gesprongen en bemoedigend
geblèrd en geschreeuwd.
We blijven ze voor.
De roeiers.

Roniedeponie is de mannen tegemoet geroeid en geeft nu als
haas het tempo aan.
70 kilometer wedstrijdroeiend door het Noordhollandse landschap.
Het is een end.

Dat die roeiers het zullen redden, daar geloof ik wel in.
Maar in mijn man is het beest losgebroken.
Iedere brug is voor ons.
En die bruggen in de polder zijn hoog en smal.
En steeds als we daar staan en met gevaar voor eigen leven naar de
andere kant van de brug rennen om ook daar bemoedigend bezig te zijn,
moet er zonodig een enorme trekker over diezelfde brug heen.
Dat we niet geplet zijn, het is een mirakel!

Bij Rustenburg zijn kinderen aan het spelevaren met een klein
motorbootje.
Ze maken golven.
Mijn man schreeuwt alsof de TwinTowers worden doorboord:
,,Heee!! Aan de kant!! Je maakt golven!!
Dit is een wedstrijd!! Die bootjes lopen vol!!
Wegwezen jullie!!''
Ik geneer me dood.
Maar ik moet alweer in de auto springen als ik ook de rest van deze
helletocht wil meemaken.
,,Waarom laat ik hem niet gewoon gaan'' denk ik stiekem.
,,Dan blijf ik hier lekker achter in de polder, gooi ik mijn gsm in het
water en ga in de berm rustig naar de jonge fuutjes zitten kijken.''

En dan, midden in de polder, terwijl ik sta te trillen op mijn benen,
gebeurt er dit....






En verder gaan ze weer!!

En die hele wissel heeft nog geen minuut tijd gekost!!
Verbijsterd klim ik weer in de auto.
Een stuk stijver en strammer dan die mannen die er inmiddels ruim 66
kilomter op
hebben zitten.
Alhoewel.
Mijn man heeft geen stem meer en de roeiers zijn bijkans dood.

Maar de finish is in zicht en ik leef nog, zij het met ernstig
hartfalen.

Die sporters, ze hebben er geen idee van wat supporters meemaken!
En waardering, ho maar!

Maar ze hebben het gered: Marcel, Cees en Joost.
Een mega-prestatie.
Mijn man helpt de boot binnensjouwen.
Terwijl ik dacht dat hij pijn in zijn rug had.
Dat zegt hij tenminste altijd als het gras gemaaid moet worden.
(dat laatste berust NIET op waarheid, maar leest
wél lekker wegl)

Natuurlijk,

helden zijn het.

En ze verdienen het.
Maar hallo, denkt er ook nog eens iemand aan mij???

|
|
|